logoFoto tuinLogo tuin
De beste plaats om te filosoferen...

 

                                                         
                       Jean-Paul Sartre in Café Montparnasse                        Simone de Beauvoir in Les Deux Magots, 1944 


Met Sartre op café

Een tafeltje uit een Frans café: het doet onvermijdelijk denken aan Jean-Paul Sartre, die vele bladzijden van zijn immens oeuvre schreef in een aantal van de Parijse café's op de boulevard Saint-Germain of de boulevard Montparnasse, net zoals zijn levensgezellin Simone de Beauvoir.
Café de Flore en Aux Deux Magots zijn toeristische trekpleisters geworden.
 

“We installeerden ons van 9 tot 12 uur, we werkten, dan namen we het middagmaal, en om 2 uur kwamen we terug en praatten tot 8 uur met vrienden die we tegen het lijf waren gelopen. Na het avondmaal ontmoetten we mensen met wie we een afspraak hadden gemaakt. Dat kan vreemd overkomen, maar in dit café waren we thuis”, vertelt Sartre.

                                 
                                                             Filosoferen op café, met Sartre en de Beauvoir 

Het is dan ook niet verwonderlijk - maar wel uitzonderlijk - dat Sartre, om zijn denkbeelden te verduidelijken, gebruik maakte van scènes die zich afspelen op café, zoals een ober die zijn rol speelt of het meisje dat praat met een aanbidder (Sartre gebruikt beiden als voorbeelden van wat hij “kwade trouw” noemt: excuses zoeken om zijn vrijheid en dus verantwoordelijkheid te ontkennen). 
Ook vele andere filosofen hebben gehouden van de drukte van een café. 



Drinkende filosofen
 

Café Procope, één van de oudste café’s van Parijs, was de verzamelplaats van Verlichtingsfilosofen zoals Voltaire, Diderot, Condorcet, Benjamin Franklin.

                           

                                      Een bijeenkomst in café Procope, met o.a. Voltaire (die zijn hand opheft) en Diderot.  


Een aantal oude Griekse filosofen hebben “symposia” of “drinkgelagen” beschreven, dat waren bijeenkomsten van burgers waarop gedronken, maar ook gediscussieerd en gefilosofeerd werd.
   

      

                                                    Grieks symposion (fresko van de "tombe van de duiker", 475 v.Chr., museum Paestum)  

Plato noemde één van zijn dialogen Symposium. Op het feest filosofeert Socrates met anderen over de liefde. 

Socrates
maakte er overigens zijn specialiteit van om mensen aan te klampen op openbare ontmoetingsplaatsen, zoals de agora (het centrum van de stad) of het gymnasium, waar de mannen gingen sporten en aan après-sport deden.
 

Ook de 19e eeuw heeft zijn filosofische caféverhalen.
Marx ontmoette zijn grote medestander Engels in 1844 in Parijs in het café de la Régence (Place du Palais).
Er wordt verteld dat Marx het Communistisch Manifest zou geschreven hebben in Le Cygne, een café (nu duur restaurant) op de Grote Markt van Brussel. Zeker is dat hij er af en toe toespraken hield. 
Er zijn natuurlijk filosofen die niet houden van de drukte van een café, maar het het tegenovergestelde willen. 



Filosofen in de stilte
 

Een groot aantal meesterwerken zijn tot stand gekomen in de stilte van de studiekamer. 

Kant stond elke dag op om 5 uur, werkte in de stilte van zijn werkkamer tot 7u, gaf zijn lessen, en trok zich nadien opnieuw terug tot 13u.
Dan was het wel tijd voor gezelschap: hij nam een uitgebreid middgmaal tot zich, bijna steeds in het gezelschap van vrienden, die hij de ochtend daarvoor had uitgenodigd. Zijn avondwandeling – legendarisch omwille van de stiptheid (de vrouwen van Königsberg zetten hun klokken gelijk op het moment dat Kant langswandelde, zo gaat de legende) - hield hij weer in zijn eentje. 

Eén van de filosofen door wie Kant sterk beïnvloed was, Rousseau,
 hield ook van wandelen.
Hij had wel contacten met zijn filosofen-tijdgenoten (Diderot, Hume), maar stond toch apart met zijn ideeën. Zijn laatste - sterk autobiografisch - werk noemde hij Dromerijen van een eenzame wandelaar.

Eén van de filosofen die sterk door Kant beïnvloed was, 
Schopenhauer, hield ook van rust.
Zo verklaarde hij: ik meen dat de hoeveelheid lawaai die iemand kan ondergaan, zonder er last van te ondervinden, omgekeerd evenredig is met zijn geestelijke vermogens.
 

Nietzsche, aanvankelijk beïnvloed dor Schopenhauer, schreef de meeste van zijn latere werken in een kamer van een chalet in de Alpen, met uitzicht op dennenbomen en bergen.
Hij werkte van 5 tot 12 uur en maakte nadien wandelingen naar de bergtoppen.
Hoe kan iemand een denker worden, vroeg hij zich af, als hij niet ten minste een derde deel van de dag zonder hartstochten, mensen en boeken doorbrengt?
 

Dit voorbeeld werd nagevolgd door een andere Duitser, Heidegger.
Bekend als de ‘denker uit het Zwarte Woud’, die trots bleef op zijn provinciaalse achtergrond, betrok hij in de zomer van 1922 een voor hem en zijn gezin gebouwde blokhut boven het stadje Todtnauberg, met een weids uitzicht over het Beierse landschap. Hij kon er zich terugtrekken uit zijn woonplaats Freiburg, waar hij hoogleraar was aan de universiteit, en ongestoord mediteren en schrijven.
De sober ingerichte hut gaf Heidegger, wiens werk een indringende kritiek is op de moderne technologische wereld, nog meer het aureool van een onpeilbaar diepe denker, of zelfs ziener, die met één been in een andere wereld staat.
    
 

                                                              

                                                                                          Heideggers berghut

Stilte heerst ook in de bibliotheek, waar een filosoof wel naar hartelust kennis kan nemen van de ideeën van al zijn voorgangers.
Marx was in de jaren 1850 een veelvuldig bezoeker van de beroemde “reading room” van de bibliotheek van het British Museum (British Library). Hij deed er onderzoek naar economische theorieën, als voorbereiding op o.a. zijn bekendste boek, Het kapitaal. 

En dan zijn er natuurlijk ook de filosofen die een middenpositie innemen en stellen dat noch de drukte noch de stilte het filosoferen ten goede komen.  



Filosoferen in de school en de universiteit
 

Filosoferen gebeurt misschien het beste waar enkele, maar niet teveel mensen bijeen zijn.

Plato en Aristoteles richtten in Athene elk een eigen school op waar ze met leerlingen hun filosofie uitwerkten. 

Epicurus pleitte voor een terugtrekking uit het openbare leven. Hij kocht een huis met grote tuin erbij, en trok er zich terug met vrienden. Hun voornaamste bezigheid was filosoferen.  

          

In de vroege middeleeuwen zijn de filosofen meestal verbonden aan een klooster.
Anselmus van Canterbury was abt in Cantebury. 

Na 1000 ontstaan er universiteiten in de grote steden.
Het woord universiteit is afgeleid van het Latijnse universitas magistrorum et scholarium, wat "gemeenschap van onderwijzers en academici" betekent.
De eerste Europese universiteit werd opgericht in 1088 in de Italiaanse stad Bologna.

Vooral de Parijse universiteit, de Sorbonne, staat bekend om zijn filosofische debatten. 
In de dertiende eeuw hadden bijna alle bekende Europese filosofen hun opleiding geheel of gedeeltelijk genoten aan de Sorbonne: Thomas van Aquino (uit Italië), Albertus de Grote (uit Duitsland), Roger Bacon, Johannes Duns Scotus en Willem van Ockham (uit Engeland), Raymundus Lullus (uit Spanje). Op de vingers van één hand zijn de wijsgeren uit de dertiende eeuw te tellen die géén opleiding hebben genoten te Parijs, zoals Robert Grosseteste, de oprichter van de universiteit van Oxford. 

In de vroegmoderne tijd worden filosofen vaak uitgenodigd door vorsten aan hun hof. 
Descartes bracht zijn laatste levensjaren door in Zweden aan het hof van Chatarina.
Voltaire en La Mettrie verbleven een tijdje in Berlijn aan het hof van Frederik II.
 

Vandaag de dag is h
et vooral de universiteit die de werkplek is geworden van de meeste filosofen.